Zoeken in deze blog

woensdag 16 mei 2012

Behandeling van eetstoornissen

Over het algemeen verwacht men dat hoe langer iemand een eetstoornis heeft, des te moeilijker het herstel verloopt en des te groter de kans op chroniciteit. Zoals we weten zijn de consequenties op lichamelijk, psychologisch, sociaal en financieel vlak niet gering. Eveneens kan een eetstoornis een zeer grote invloed uitoefenen op personen in de directe omgeving (bijvoorbeeld het gezin, vrienden, andere familieleden enzovoort) van de patiënt. Dit aspect belandt vaak in de vergeethoek. Zo ervaart de omgeving sterke gevoelens van machteloosheid, schuldgevoel, boosheid, bezorgdheid en emotionele uitputting. Het gezinsfunctioneren kan bijgevolg aanzienlijk verstoord raken (De Vries, 2007).

Vanwege de ernst, de grote invloed en het moeilijk herstellen van de stoornis worden preventie, vroegtijdige herkenning, het zo snel mogelijk behandelen van eetstoornissen, terugvalpreventie en nazorg van zeer groot belang geacht (De Vries, 2007). Hierna worden de verschillende mogelijkheden geschetst binnen de behandeling van eetstoornissen.

Algemeen

De behandeling van eetstoornissen gebeurt steeds via de “stepped care” visie (Multidisciplinaire Richtlijn, 2006). Zo zullen behandelaars in eerste instantie kiezen voor de minst ingrijpende interventie en indien nodig zal de inzet van professionele hulpverlening verhoogd worden. Door de ernst en de grote invloed van eetstoornissen, wordt er op de eerste plaats veel belang gehecht aan preventie. Zo starten we hierna met een korte toelichting over mogelijke preventieve maatregelen bij eetstoornissen. Als een eetstoornis alsnog komt opduiken in iemand zijn of haar leven, is een eerste mogelijke stap zelfhulp en lotgenotencontact. Toch is zelfhulp zelden voldoende en wordt ambulante begeleiding al snel noodzakelijk om de eetstoornis te kunnen bestrijden. De residentiële (al dan niet gespecialiseerde) settings binnen België vormen een laatste vorm van hulpverlening waar eetstoornispatiënten in behandeling kunnen gaan. Een poliklinische of ambulante behandeling heeft volgens het stepped-care principe de voorkeur boven een opname, tenzij de fysieke toestand zo kritiek of de leefsituatie zo problematisch is dat een opname onvermijdelijk wordt (De Vries, 2007). We zullen tenslotte ook nog even stilstaan bij de niet onbelangrijke nazorg en terugvalpreventie bij eetstoornissen.

Preventie

Preventieprogramma’s voor eetstoornissen zijn effectief als deze gericht worden op de leeftijdsfase waarin het grootste risico bestaat tot het ontwikkelen van een eetstoornis. De grootste risicogroep bestaat uit meisjes tussen de twaalf en de achttien jaar. Omdat deze leeftijdsgroep nog leerplichtig is, vinden de meeste preventieprogramma’s plaats in het onderwijs.

Er kunnen zowel primaire als secundaire preventieve maatregelen getroffen worden. De primaire preventie is gericht op risicofactoren in de maatschappij (zoals het slankheidsideaal en het zelfbeeld van leerlingen). De secundaire preventie bestaat uit het benaderen van risicogroepen (zoals balletdansers, fotomodellen en topsporters). Zo bestaan er momenteel diverse kant-en-klare lespakketten voor leerkrachten. Dit laat hen toe om te werken rond thema’s zoals: het verhogen van de mediaweerbaarheid, het ontwikkelen van copingstrategieën, het verstevigen van zelfvertrouwen, het werken aan een positiever zelfbeeld enzovoort. Het secundaire preventieniveau richt zich eerder tot een vroegtijdige herkenning van de eetstoornis. Niet alleen leerkrachten spelen hier een grote rol, maar ook klasgenoten, ouders, trainers en huisartsen. Een grotere en betere bekendheid van de problematiek met behulp van een goede voorlichting en correcte informatieverspreiding is bij deze van uiterst belang om een vroegtijdige herkenning tot stand te kunnen brengen (Huisman et al., 2010). In België is Eetexpert.be actief op het domein van preventief werken bij eet- en gewichtsproblemen.

Ook AN-BN zet in op preventief werken. Voorbeelden hiervan zijn de verspreiding van correcte informatie via de Inloopmobiel, het geven van workshops en het informeren over kant-en-klare lessenpakketten voor leerkrachten.[1]

Zelfhulp

Zelfhulp bestaat in verschillende vormen en maten, zoals vb. zelfhulpboeken, zelfhulpgroepen die op regelmatige basis samen afspreken, online zelfhulpgroepen, online chatmomenten en online fora.. Zelfhulp verschilt in verscheidene opzichten van professionele hulp, maar vooral de zelfhulpgroepen kunnen een belangrijke aanvulling betekenen zowel voor, tijdens als na de behandeling van een eetstoornis (Vandereycken & Noordenbos, 2002).

Zelfhulp wordt vaak gelijkgesteld aan “lotgenotencontact”. Dit houdt in dat mensen met dezelfde problematiek samen worden gebracht en steun zoeken bij elkaar, dit zonder tussenkomst van professionele hulpverleners. In zelfhulpgroepen helpen mensen elkaar met het oplossen van een probleem door vooral met elkaar te praten, ervaringen en informatie uit te wisselen en elkaar aan te moedigen. Deze groepen worden doorgaans begeleid door een ervaringsdeskundige. Dit is een persoon die de betreffende problematiek, in dit geval een eetstoornis, van dichtbij heeft meegemaakt en zelf het verwerkingsproces heeft doorstaan. Een begeleide zelfhulpgroep of praatgroep is ook mogelijk, maar hier worden professionelen ingeschakeld om de groep te begeleiden.

Doelen van zelfhulpgroepen zijn onder andere: het geven van informatie, het bieden van aandacht, begrip, herkenning en erkenning en het verlenen van praktische adviezen en ondersteuning. Maar de belangrijkste waarde van zelfhulp is het onderlinge contact. Mensen met een eetstoornis raken vaak in een sociaal en psychisch isolement. Hun omgeving kan zich moeilijk verplaatsen in de leef- en denkwereld van de patiënt, waardoor deze persoon vaak het gevoel heeft er alleen voor te staan. In veel gevallen maken mensen pas voor het eerst kennis met anderen met een vergelijkbaar probleem in een zelfhulpgroep. Zowel de herkenbaarheid van de verhalen, als het niet beoordeeld worden voor bepaalde gedragingen worden vaak aangevoeld als een opluchting. De herkenning bij lotgenoten kan eveneens een confronterende functie hebben. Zowel het kunnen uiten van de eigen ervaringen als het luisteren naar de emoties van anderen helpt mensen bij het verwerken van en het leren omgaan met een eetstoornis. Deze herkenning en erkenning vormen vervolgens een belangrijke basis voor het herwinnen van zelfvertrouwen en zijn bijgevolg niet zelden een eerste stap naar de overwinning van de eetstoornis (Vandereycken & Noordenbos, 2002).

Naast lotgenotencontact kan een persoon kiezen voor het lezen van een zelfhulpboek. Er zijn heel wat zelfhulpboeken geschreven over eetstoornissen. Een zelfhulpboek heeft de bedoeling om iemand, aan de hand van zeer concrete informatie, methodes en inzichten, te helpen om het probleem zelf aan te pakken. In onze bibliotheek is een groot gamma aanwezig van interessante zelfhulpboeken.

Uit onderzoek van Carter en Fairburn (1998) blijkt dat cognitief-gedragstherapeutisch gerichte zelfhulpgroepen en zelfhulpboeken zeer effectief zijn in het verminderen van de symptomen van eetstoornissen. Ondanks de gunstige resultaten, zijn laagdrempelige vormen van behandeling zoals zelfhulp vaak niet voldoende om een eetstoornis uit een patiënt haar of zijn leven te verbannen. Patiënten die geen vorderingen maken, moeten worden doorverwezen naar (in eetstoornissen gespecialiseerde) psychotherapie en in ernstigere gevallen naar een behandeling in een eetstoorniskliniek.

Ambulante zorg (o.a. therapie of polikliniek)

Ambulant is het tegenovergestelde van “residentieel” of van “opname”. Wie ambulante begeleiding krijgt, gaat dus op consultatie en brengt de rest van de tijd in zijn thuissituatie door.

In principe is de huisarts de eerste persoon die een belangrijke signaalfunctie heeft. Elke huisarts komt tijdens zijn carrière immers in aanraking met personen met een eetstoornis. Zo blijkt uit onderzoek dat een huisarts met een praktijkgrootte van 2000 patiënten gemiddeld één of twee anorexiapatiënten en 18 boulimiapatiënten over de vloer krijgt (Schoemaker & de Ruiter, 2003; NICE-richtlijn, 2004). Desondanks blijft de kans aanzienlijk groot dat de diagnose gemist wordt. Patiënten komen namelijk zelden melden dat ze eetproblemen hebben, maar komen met andere klachten naar de huisartsenpraktijk, bijvoorbeeld maag-darm-klachten, menstruatieklachten of klachten over niet fit zijn, lusteloosheid en een depressieve stemming (Multidisciplinaire Richtlijn, 2006). Een goede voorlichting voor huisartsen is bij deze noodzakelijk om eetstoornispatiënten goed te kunnen detecteren. Huisartsen kunnen overigens met een paar vragen van de ESP-vragenlijst onderzoeken of iemand mogelijk een eetstoornis heeft (Meesschaert, 2011).
Een ondersteunende behandeling bij de huisarts is maar mogelijk als het gaat om een minder ernstige vorm van eetstoornis. Bij een complexere problematiek draagt de huisarts de verantwoordelijkheid voor een goede doorverwijzing. De arts blijft het aanspreekpunt voor lichamelijke klachten en stoornissen. Ook bij de follow-up heeft de huisarts een belangrijke taak. Hij of zij blijft de persoon in kwestie opvolgen als bij moeilijke omstandigheden de eetstoornis terug de kop dreigt op te komen steken (Vandereycken & Noordenbos, 2002). Eetexpert.be ontwikkelde overigens een draaiboek voor huisartsen en ondersteunt diverse huisartsen via regionale intervisiegroepen.

De huisarts kan de eetstoornispatiënt doorverwijzen naar ambulante therapie, maar mensen kunnen ook op eigen initiatief contact opnemen met een psycholoog, psychotherapeut, voedingsdeskundige of psychiater. Dit kan zowel poliklinisch (vb. in het UZ Gent), in de privésector, als via een Centrum Geestelijke Gezondheidszorg (CGG). Een multidisciplinaire behandeling wordt aangeraden, waarbij een goed contact tussen de verschillende hulpverleners belangrijk wordt geacht. Waar een psycholoog of psychotherapeut zich richt tot het behandelen van de psychologische aspecten van de eetstoornis, kan een voedingsdeskundige helpen bij het opbouwen van een gezond eetpatroon. Psychiaters kunnen naast het uitschrijven van medicatie, eveneens therapie geven.

Behandeling van eetstoornissen bestaat doorgaans uit een combinatie van factoren. Een eerste belangrijk onderdeel is het herstel van een minimaal gezond gewicht of het herstel van een evenwichtig eetpatroon. Een tweede aspect is het behandelen van diverse psychologische factoren die een rol spelen in het in stand houden van de eetstoornis. Daarnaast kan als laatste aspect ook medicamenteuze ondersteuning nodig zijn. Dit is echter niet altijd een vereiste.

Tot op heden bestaan er geen eenduidige conclusies wat betreft de effectiviteit van ambulante therapie bij anorexia nervosa (Chambless & Ollendick, 2001). De weinige goede onderzoeken die in de literatuur terug te vinden zijn werden uitgevoerd bij een kleine groep patiënten. Dit maakt het erg moeilijk om algemene conclusies af te leiden. Nog een belangrijke beperking van dit soort onderzoeken is dat als uitkomsten vaak gekeken werd naar gewichtsherstel. We kunnen dit bezwaarlijk een goede maat noemen voor “herstel van een eetstoornis”. Uit de resultaten kunnen we wel afleiden dat adolescenten met anorexia goed geholpen zijn met de Multi-Family Therapie (Eisler, 2005). We vinden deze terug in het Middelheim-ziekenhuis te Antwerpen en bij de Broeders Alexianen in Tienen. Daarnaast bleken er weinig verschillen tussen de psychotherapiestromingen, maar een therapie die specifiek gericht was op het behandelen van de eetstoornis is wel aan te raden (beter dan enkel voedingsmanagement of helemaal geen therapie). We weten in ieder geval ook uit heel ander onderzoek dat het vooral de therapeutische relatie is, die de kans op een succesvolle therapie voorspelt. Met andere woorden: het moet “klikken” tussen de patiënt en zijn hulpverlener.
Na een opname doet men er goed aan om (terug) in ambulante begeleiding te gaan. Onderzoek toont aan dat individuele ondersteunende psychotherapie na een opname effectiever is dan gezinstherapie (in termen van gewichtstoename bij volwassenen). Maar als de anorexia begonnen is voor het 19de jaar en 3 jaar of korter duurt, dan is gezinstherapie die zich focust op de eetstoornis aan te bevelen. 

Bij boulimia nervosa werden opvallend veel meer studies gedaan. Verschillende behandelingen zijn uitvoerig met elkaar vergeleken. Zo blijkt dat zowel de cognitief-gedragstherapeutische aanpak[2] als de interpersoonlijke psychotherapie[3] de beste resultaten leveren bij boulimia nervosa (Agras et al., 2000) en bij de eetbuienstoornis (Agras et al., 2007). Verder heeft onderzoek door Chen en collega’s (2003) aangetoond dat cognitieve gedragstherapie in groepen op lange termijn even effectief is dan individuele cognitieve gedragstherapie.

Veel onderzoek werd eveneens gedaan naar farmacotherapie. Bij anorexia nervosa is er tot nu toe te weinig bewijs om te stellen dat medicatie zoals antidepressiva of serotineheropnameremmers (SSRI’s)[4] een gunstig effect hebben op de stoornis. Niettegenstaande worden er SSRI’s voorgeschreven als preventie tegen herval of als er sprake is van een comorbiditeit (wat het herstel van een eetstoornis in de weg kan staan). In sommige situaties kan de huisarts besluiten om een zinksupplement toe te dienen, maar er bestaat geen bewijs dat het een bijdrage levert aan herstel.
Daarnaast blijkt uit onderzoek dat medicatie wel een gunstige invloed kan hebben op boulimia nervosa. Zo kunnen sommige antidepressiva het aantal eetbuien met 50 procent reduceren, ongeacht of er een depressieve stemming aanwezig is of niet (Nice Richtlijn, 2004). Maar het effect is beperkt in de tijd en er zal vroeg of laat terugval optreden als de farmacotherapie niet gecombineerd wordt met een psycho-therapeutische aanpak. Zo blijkt uit onderzoek dat de combinatie van cognitieve gedragstherapie met antidepressiva een krachtiger effect heeft dan enkel een medicamenteuze behandeling (NICE-richtlijn, 2004; Multidisciplinaire richtlijn, 2006). Tot slot is er, buiten antidepressiva, geen ander medicijn aan te bevelen (Vanderlinden, 2002).

Een persoon met een eetstoornis kan met andere woorden allerlei keuzes maken binnen het aanbod van ambulante zorg. Ook al blijkt de cognitief-gedragstherapeutische benadering (dit zowel in individuele therapie als in groepstherapie) en de interpersoonlijke therapie gunstige resultaten te hebben, zo heeft eveneens de directieve therapie[5] aan populariteit gewonnen (Vanderlinden, 2002). Niettemin bestaan er tot nu toe geen wetenschappelijke resultaten over deze therapievorm. Daarnaast zijn er nog allerlei andere soorten therapieën waar men beroep op kan doen zoals bijvoorbeeld de cliëntgerichte therapie, de psychoanalytische benadering, de oplossingsgerichte benadering, de Gestaltbenadering etc. Van heel wat van deze therapievormen weten we nog niet in hoeverre de aanpak doeltreffend kan zijn bij eetstoornissen. Uit een oud, maar vaak vernoemd overzichtsonderzoek van Smith en Glass (1977) is overigens gebleken dat alle richtingen ongeveer even goed werken (ongeacht om welke problematiek het gaat). Maar wat nu voor wie de meest werkzame therapievorm is blijft onduidelijk. Het vergt met andere woorden soms een lange zoektocht om de gepaste therapievorm te vinden en een therapeut waarmee het klikt. Het persoonlijk contact tussen de cliënt en de therapeut is immers zeer belangrijk. Zo zijn een gevoel van vertrouwen en een goede samenwerking belangrijke voorwaarden om een therapie te doen slagen.

Diegenen die het te moeilijk vinden om in rechtstreeks contact te treden met een therapeut, kunnen gebruik maken van online therapie[6]. Ondanks het feit dat er heel wat internetprogramma’s voor eetstoornissen beschikbaar zijn, blijft het van groot belang dat een huisarts de lichamelijke conditie blijft controleren (De Vries, 2007). Bovendien wordt online therapie voor anorexia nervosa momenteel afgeraden, omdat het onvoldoende tot herstel leidt. Vermoedelijk is voor deze doelgroep juist het persoonlijke contact van groot belang. Daarnaast is het ook mogelijk dat de cognitief-gedragstherapeutische onderbouwing van deze online programma’s minder past bij de problematiek van anorexia nervosa. Voor mensen met boulimia nervosa of eetbuistoornis kan online therapie echter wel mooie resultaten opleveren. Een mooi voorbeeld hiervan is www.eetprobleemdebaas.nl.
Afhankelijk van verschillende factoren zal een persoon genezen verklaard worden. Onderzoek in het gespecialiseerde Universitair Centrum van Kortenberg heeft inmiddels enkele krachtige voorspellers van een gunstig therapieverloop aangeduid. Voorbeelden hier van zijn: een positieve verandering in het gevoel van eigenwaarde, een positieve lichaamsbeleving in combinatie met het herstel van een normaal eetpatroon en het terugkeren van spontane menstruatie (Het behandelprogramma voor eetstoornissen, UPC Kortenberg). Ambulante therapie is echter niet altijd voldoende, waardoor er doorverwezen zal worden naar de residentiële zorg.

Klinische zorg (opname)

De meeste patiënten met een eetstoornis kunnen poliklinisch behandeld worden. Niettemin is residentiële of klinische hulp noodzakelijk als er aan bepaalde criteria wordt voldaan. Zo zal er verwezen worden naar een algemeen ziekenhuis als er sprake is van een extreem laag lichaamsgewicht (bijvoorbeeld een BMI 12 of lager) of bij een somatische comorbiditeit, bijvoorbeeld bij een te laag kaliumgehalte of hartritmestoornissen. Daarnaast zal er geopteerd worden voor een behandeling in een psychiatrisch ziekenhuis of een gespecialiseerde afdeling wanneer er geen of onvoldoende reactie is op de ambulante behandeling, wanneer er sprake is van ernstig of snel gewichtsverlies, een significante psychiatrische comorbiditeit en wanneer er een vaststelling is van een ernstig verstoorde psychosociale omgeving. In de praktijk lijdt het overgrote deel van de klinisch opgenomen patiënten aan anorexia nervosa, dit meteen opgevolgd door een atypische eetstoornis, veelal gepaard met ondergewicht en een psychiatrische comorbiditeit. Patiënten met boulimia nervosa dienen bij voorkeur ambulant te worden behandeld, maar kunnen natuurlijk worden opgenomen.

De klinische behandeling van eetstoornissen kan in vier verschillende settings plaatsvinden. Bij een direct somatisch gevaar zal er eerst doorverwezen worden naar een algemeen ziekenhuis. Wanneer er niet alleen somatisch gevaar is, maar ook een psychiatrische comorbiditeit meespeelt, zal er eerder geopteerd worden voor een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (PAAZ). Een PAAZ biedt immers een combinatie van somatische zorg en de mogelijkheid om patiënten met een eetstoornis kortdurend te behandelen binnen een heterogene groep van patiënten met andere psychiatrische problematieken. In de praktijk zien we dat eetstoornispatiënten opgenomen worden op een PAAZ om nadien doorverwezen te worden naar een gespecialiseerde afdeling. Voor sommige (voornamelijk chronische) patiënten kan een korte opname op de PAAZ geregeld worden als een soort “bijtankbeurt”.

Daarnaast is een behandeling in een algemeen psychiatrisch ziekenhuis ook mogelijk (APZ). Dit wordt aangewezen wanneer het gedrag van de patiënt met een eetstoornis, meestal ten gevolge van comorbiditeit, zodanige vormen aanneemt dat een plaatsing binnen een besloten of gesloten afdeling wenselijk is. Ook vanwege de wachtlijsten voor behandeling binnen de gespecialiseerde centra worden patiënten soms doorverwezen naar een APZ. Een gespecialiseerde behandeling binnen een APZ of een gespecialiseerd centrum heeft overigens de voorkeur. Een APZ heeft immers de mogelijkheid patiënten met een eetstoornis te behandelen in een heterogene groep, samen met patiënten met diverse andere stoornissen. Op de eerste plaats staat de psychiatrische behandeling voorop. Daarnaast zijn ‘zorg op maat’ en snelle doorverwijzing naar ambulante zorg twee belangrijke invalshoeken binnen de behandeling in een APZ. Mensen met een eetstoornis worden regelmatig opgenomen in een APZ wanneer een andere problematiek op de voorgrond staat, zoals depressie (met suïciderisico), angstproblematiek, borderline of obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Een aantal algemene psychiatrische ziekenhuizen hebben in hun behandeling ook modules of sessies opgenomen om aan eetgedrag te werken (omdat ook bij andere problematieken verstoord eetgedrag kan voorkomen), vb. PC Sint-Jan de Deo (Gent), PZ Sancta Maria (Sint-Truiden), Sint-Norbertus (Duffel),...

Een gespecialiseerd psychiatrisch centrum daarentegen beschikt over een poliklinische (= op afspraak), dagklinische (= dagopname) en klinische (= volledige opname) afdeling met als doel de behandeling van patiënten in homogene groepen. Dit wil zeggen dat de groep uitstuitend is samengesteld uit patiënten met een eetstoornis als  hoofddiagnose. Afhankelijk van de doelstelling van de patiënt bij de opname, kan er een onderscheid gemaakt worden tussen crisisopname (maximaal vier tot acht weken), een kortdurende opname (vier tot acht weken) en een reguliere opname (gemiddeld een half jaar) (Vandereycken & Noordenbos, 2002). 
In België bevinden de gespecialiseerde opnamediensten voor eetstoornissen zich in Kortenberg, Gent, Lede, Wilrijk, Jette en Tienen[7]. Enkel in Kortenberg, Gent en Jette (en soms ook in Wilrijk) is er mogelijkheid tot poliklinische consultaties. Jette en Wilrijk richten zich overigens enkel op de behandeling van kinderen en jongeren tot maximum 18 jaar. Momenteel is er enkel in Kortenberg de mogelijkheid tot het deelnemen aan een dagopname voor mensen met een eetbuistoornis en voor mensen met een langdurige eetstoornis. Het UPC in Kortenberg biedt daarnaast ook een modulaire dagbehandeling aan voor mensen met allerlei soorten problematieken. Daarbinnen zijn enkele modules gericht op eetgedrag en lichaamsbeleving.

Bij opname van een eetstoornispatiënt zal er op de eerste plaats gestreefd worden naar het normaliseren van het eetpatroon. Vervolgens zal de nadruk van de behandeling verschuiven naar de betekenis van bepaalde eetstoornissymptomen en zal er op zoek gegaan worden naar alternatieve, constructieve copingstrategieën. De laatste stap is het trachten om veranderingen teweeg te brengen op zowel individueel (bijvoorbeeld op het vlak van zelfvertrouwen, lichaamsbeleving, perfectionisme enzovoort) als interactioneel vlak (zoals autonomie en zelfstandigheid). Globaal beoogt een programma in een gespecialiseerde kliniek het bevorderen van de persoonlijke groei en het verbeteren van de levenskwaliteit.

In gespecialiseerde centra wordt het therapieaanbod grotendeels aangeboden in de vorm van groepstherapieën. Daarnaast wordt het gezin en/of de partner zoveel mogelijk in de behandeling betrokken. Andere therapieën in gespecialiseerde centra zijn o.a.: ergotherapie (op creatieve, non-verbale wijze werken aan eetproblemen), psychomotorische therapie (opsporen en corrigeren van de stoornissen in lichaamsbeleving en –perceptie) en huishoudtherapie (bijvoorbeeld leren koken). Verder wordt in themagroepen gewerkt rond bijvoorbeeld intimiteit en seksualiteit en het leren invullen van werk en vrije tijd. Tot slot is de gespecialiseerde, intramurale behandeling gefaseerd. Verschillende opnamesettings hanteren ongeveer dezelfde drie fasen, waarbij de patiënt bij een gunstige evolutie kan overstappen naar een volgende fase. De eerste fase richt zich vooral naar gewichtsherstel (indien nodig), motivatie en een evenwichtig eetpatroon. In de tweede fase wordt gewerkt rond overige therapiedoelen zoals zelfbeleving, zelfvertrouwen, het verbeteren van sociale contacten binnen en buiten het gezin enzovoort. Daarnaast is er een blijvende aandacht voor het behalen van het streefgewicht. In de laatste fase staat de geleidelijke integratie in het leven buiten het centrum centraal (Vanderlinden, 2002).


Er is sprake van terugval als de symptomen van de eetproblemen zodanig toenemen of terugkeren dat hulp of ingrijpen noodzakelijk wordt. Terugval komt vaak voor. Een intensieve en langdurige nabehandeling is noodzakelijk voor een gunstig therapieverloop. Succesvolle behandelingen zijn immers altijd langdurige behandelingen die worden gekenmerkt door een intensieve en langdurige betrokkenheid en verbintenis van zowel patiënt als therapeut. Bereikbaarheid en beschikbaarheid van de therapeut gedurende een langere periode is bij deze van goot belang voor een gunstig therapieverloop. Na een opname krijgen de patiënten de keuze om minstens zes maanden (tot maximaal 2 jaar) in nabehandeling te gaan (Vanderlinden, 2002).

Tijdens de laatste fase van een (klinische) behandeling wordt de cliënt voorbereid op mogelijke terugval in de toekomst. Het is belangrijk er op te wijzen dat herval een onderdeel is van het herstelproces. Al voelen veel cliënten zich moedeloos worden, herval kan ook gezien worden als een belangrijk signaal of leermoment. Zo zal er tijdens de (na)behandeling gewerkt worden rond herkennen van signalen die kunnen wijzen op een mogelijke terugval. Eveneens moeten patiënten risicosituaties leren inventaristeren. Er wordt gezocht naar mogelijke maatregelen om dit herval te voorkomen. Mensen uit de omgeving kunnen hierbij betrokken worden. Niettemin blijft de verantwoordelijkheid van de patiënt zelf centraal staan (Vanereycken & Vandeputte, 2010). Tot slot is in geval van terugval een vroegtijdige signalering en behandeling van het uiterste belang. Hierbij kunnen nazorg-zelfhulpgroepen, de huisarts of de ambulante therapie een functie hebben (De Vries, 2007).

Gereviseerde tekst op basis van het eindwerk:
De Schouwer, K. (2011). Het WOP-project. What’s on your Plate? Niet-gepubliceerde verhandeling. HUBrussel, optie Sociaal Werk.

Literatuur
Agras, W.S, Walsh, B.T., Fairburn, C.G., e.a. (2000). A multicenter comparison of cognitive-behavioral therapy and interpersonal psychotherapy for bulimia nervosa. Archives of General Psychiatry, 57, 459-466.
Carter, J.C., & Fairburn, C.G. (1998). Cognitive-behavioral self-help for binge eating disorder: a controlled effectiveness study. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 4, 616-623.
Chen, E., Touyz, S.W., Beumont, P.J.V. , e.a. (2003). Comparison of Group and Individual Cognitive-Behavioral Therapy for Patients with Bulimia Nervosa. International Journal of Eating Disorders, 33, 241–254.
De Vries, M.W. (2007). Praktische huisartsengeneeskunde. Psychiatrie. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.
Eisler, I. (2005). The empirical and theoretical base of family therapy and multiple family day therapy for adolescent anorexia nervosa. Journal of Family Therapy, 27, 104–131.
Huisman, J., Flapper, B.C.T., Kalverdijk, L.J. & L’Hoir, M.P. (2010). Praktische kindergeneeskunde, gedragsproblemen bij kinderen. Houtenbijlge /Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.
Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ (2006). Multidisciplinaire richtlijn eetstoornissen. Diagnostiek en behandeling van eetstoornissen. Utrecht: Trimbos-instituut. (verkrijgbaar via www.trimbos.nl/producten).
NICE-richtlijn, 2004.
Meesschaert, A. (2011). Screening naar eetstoornissen en de rol van de huisarts. Niet-gepubliceerde verhandeling. Faculteit Geneeskunde, KULeuven.
Smith, M.L., & Glass, G.V. (1977). Meta-analysis of psychotherapy outcome studies. The American Psychologist 32, 752-760.
Universitair Psychiatrisch Centrum Sint-Jozef (n.d.). Het behandelprogramma voor eetstoornissen. Informatie voor patiënten en familie. Kortenberg: UPC Kortenberg (http://www.uc-kortenberg.be/).
Schoemaker C., & Ruiter C. de (Red.). (2003) Nationale Monitor Geestelijke gezondheid, Jaarboek
2003.Trimbos instituut Utrecht
Vandereycken, W. & Noordenbos, G. (2002). Handboek eetstoornissen. Utrecht: De tijdstroom .


[1] De werkmap ‘Op het bot’ is hier een mooi voorbeeld van. In dit pakket worden er allerlei activiteiten aangeboden rond drie invalshoeken, namelijk het zelfbeeld, het schoonheidsideaal en groeipijnen. Een andere bron is een informatiepakket met verschillende links naar gratis lesmaterialen die gebruikt kunnen worden tijdens gezondheidsdagen of lessen over welzijn en gezondheid. (www.ophetbot.be)
[2] Cognitieve gedragstherapie: (Cognitieve) gedragstherapeuten werken vooral op het gebied van gedragsaanpak en onderliggende gedachtepatronen. Probleemgedragingen zijn verworven en worden in stand gehouden door bepaalde leerprincipes. Ze kunnen ook afgeleerd worden. Daarnaast wordt ook de link onderzocht tussen gebeurtenissen, gedachten, gevoelens en de gevolgen daarvan op het (eet)gedrag.
[3] Interpersoonlijke psychotherapie sluit nauw aan bij de gezinstherapie. Hierbij gaat men ervan uit dat de eetstoornis verband houdt met interpersoonlijke relaties.
[4] SSRI’s oefenen invloed uit op het afremmen van de heropname van serotonine, een belangrijke neurotransmitter die onder andere een belangrijke rol speelt in de regulatie van onze hongergevoelens, stemming, emoties, zelfvertrouwen en eetlust.
[5] Directieve psychotherapie is een eclectisch georiënteerde aanpak met technieken ontleend uit verschillende cognitieve en interactionele interventies.
[6] Internettherapie is een verzamelnaam voor alle vormen van therapie waarbij het contact tussen cliënt en therapeut grotendeels, vaak zelfs uitsluitend, via internet plaatsvindt.
[7] Voor meer informatie over de gespecialiseerde settings binnen België kan men terecht op de site van de verenging AN-BN (www.anbn.be).

Geen opmerkingen: