Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label anorexia. Alle posts tonen
Posts tonen met het label anorexia. Alle posts tonen

vrijdag 28 maart 2014

Waarom eetstoornissen op latere leeftijd niet in het perfecte plaatje passen

De tekst die je hieronder kan lezen werd opgesteld door Els Verheyen, naar aanleiding van de voorstelling van het boek (Over)leven met een eetstoornis. Tijdens de middagconferentie nam Els het woord om ons meer te vertellen over het thema: "Waarom eetstoornissen op latere leeftijd niet in het perfecte plaatje passen".


Els Verheyen is klinisch psychologe, ervaringsdeskundige en werkzaam bij de eetstoornisvereniging AN-BN – Anorexia Nervosa-Boulimia Nervosa. Daarnaast is zij ook als docente verbonden aan de Katholieke Hogeschool Leuven.


Picture perfect. Of het perfecte plaatje. Zo kan je dit beeld wel noemen. Het is een foto van Nob Hill in San Fransisco, een van de 48 heuvels waarop San Fransisco is gebouwd en waar de nouveaux riche wonen (Nob is slang voor upper-class people.)


Nu, of daar veel mensen met eetstoornissen leven, weet ik niet. Wat ik wel weet is dat het perfecte plaatje dat we voorgeschoteld krijgen vaak niet de afspiegeling is van het echte leven dat mensen leiden. En dat is zeker ook zo bij mensen met een eetstoornis op latere leeftijd. Want als je hen op straat zou tegenkomen, zou je nooit weten wat voor een immense strijd ze voeren om te leven, om te over-leven…


Want achter elke schone façade leeft ook een heel ander verhaal. Een verhaal van dromen en wensen die mensen hebben, een verhaal van maatschappelijke en intergenerationele verwachtingen die ons leven mee sturen, een verhaal dat voor elke persoon heel anders is… En een verhaal dat we maar zelden te zien krijgen, omdat mensen zich verschuilen achter hun façade. Wie vertelt immers nog hoe het écht met hem gaat? Mijn antwoord op die vraag is vaak “druk hé, zoals gewoonlijk…”


Maar wat zegt dat over hoe ik me voel, over welke dromen en verlangens ik heb, over de plaatsen in de wereld die ik nog wil bezoeken (en San Fransisco is er daar zeker één van), over de twijfels die ik heb over de toekomst, over de boeiende projecten waar ik aan werk, over hoe het is om zelf een eetstoornis gehad te hebben en om nu als hulpverlener en ervaringsdeskundige dag in dag uit met lotgenoten op weg te gaan… Om naast hen te staan en hun pijn en strijd mee te voelen. En zo gaat het leven van alledag verder, zonder dat we ooit echt achter de voordeur van onze medemens zijn gaan kijken…






We leven in een samenleving waar heel wat van ons verwacht wordt. Het schoonheidsideaal is maar één van die gedrochten die ons opgedrongen worden.
Jullie kennen misschien nog wel deze affiche van The Body Shop, die ons al een tiental jaar geleden met de neus op de feiten drukte: de meeste mensen passen niet in het perfecte plaatje (of binnen de lijntjes van wat als een supermodel wordt gedefinieerd). Zovele mensen passen niet in het perfecte plaatje. Maar dat is niet alleen wat betreft het schoonheidsideaal zo. We zien immers dat er ook in de beeldvorming over eetstoornissen in stereotypen gedacht wordt. Ga maar eens op zoek naar artikels over eetstoornissen en bekijk de foto’s eens die daarbij worden geplaatst.



Bij de meeste artikels vinden we afbeeldingen van jonge vrouwen die aan anorexia nervosa lijden, waarbij de obsessie met het lichaam duidelijk in beeld gebracht wordt (met spiegels, meetlinten, weegschalen en andere attributen). De meest choquerende beelden heb ik achterwege gelaten, maar foto’s van lichamen waarbij je de ribben kan tellen of waarbij mensen boven de wc-pot hangen om over te geven zijn geen uitzondering... Dit zijn met andere woorden de “perfecte plaatjes” die geassocieerd worden met het woord “eetstoornis”… Ik kan u verzekeren dat maar weinig personen met een eetstoornis zich in dit soort beelden zal herkennen… Ik stond bv. zelf nooit voor de spiegel om mezelf te bestuderen en ik had geen meetlint om mijn maten te nemen. Ik walgde juist van mijn lichaam, ik wou niet opvallen en verstopte mezelf onder lagen kleren.

Gelukkig zien we de laatste 2-3 jaren regelmatig ook andere beelden opduiken, zoals van mannen met eetstoornissen of van personen met een andere eetstoornis dan anorexia nervosa, zoals boulimia nervosa of binge eating disorder (ook wel eetbuistoornis genoemd). 
Toch is het jammer dat al die beelden de complexiteit en realiteit van een eetstoornis zo tekort doen. Zo lijkt de vrouw die aan haar hamburgermaaltijd begint daar vooral van te genieten. Dat stemt helemaal niet overeen met de verhalen die ik regelmatig hoor, waarin vooral een heel intens lijden op de voorgrond staat. Mensen schamen zich, boren zichzelf de grond in, vinden zichzelf niets waard, kunnen niet meer genieten van het leven. En eten verdooft misschien wel voor heel even al die massale gevoelens, maar veel plezier ervaren zij niet in hun leven… De dagelijkse realiteit die mensen met een eetstoornis ervaren wordt met andere woorden op geen enkele manier gevangen in het “perfecte plaatje”.




Hoewel eetstoornissen statistisch gezien het vaakst voorkomen tijdens de puberteit en de jong-volwassenheid is er ook een grote groep mensen die op latere leeftijd een eetstoornis heeft of ontwikkelt en deze groep is erg gevarieerd.

Internationaal gerenommeerde onderzoekers zoals de Amerikaanse Cynthia Bulik en haar collega’s zien een stijging in het aantal mensen dat op latere leeftijd aanklopt bij hulpverleners voor hulp bij een eetstoornis. Deze onderzoekers veronderstellen dat er meer en meer mensen met een eetstoornis zijn in die leeftijdsgroep, maar dat zij daarnaast ook nu maar pas hulp durven vragen voor iets wat altijd aanzien werd als een “typische puberziekte”.



Als vertegenwoordiger van de patiënten- en familievereniging Anorexia Nervosa Boulimia Nervosa kan ik alleen maar toejuichen dat er meer openheid komt.

We gaan er immers vanuit dat herstellen van een eetstoornis mogelijk is, maar de eerste stap is wel om aan jezelf en je naaste omgeving te erkennen dat je hulp nodig hebt. Pas dan kan je beginnen werken aan je eigen herstelproces.

Het boek “Overleven met een eetstoornis” is speciaal gericht op mensen die een eetstoornis hebben, maar die geen puber meer zijn. Ik hoop zelf dat het mensen kan helpen om zichzelf te herkennen in de verhalen en situaties van anderen, zodat ze de stilte durven doorbreken en hulp durven zoeken. En dat ze weten hoe ze met bepaalde situaties kunnen omgaan, dankzij de voorbeelden en verhalen van lotgenoten. Maar laat ons eens kijken: op welke manieren verschillen mensen die op latere leeftijd een eetstoornis ontwikkelen eigenlijk van hun jongere lotgenoten?




Laat ons eerst een paar begrippen wat kaderen. Eetstoornissen komen statistisch gezien het meeste voor in de leeftijdsgroep tussen 14 en 25 jaar. Je zou dus kunnen veronderstellen dat mensen die ouder zijn in de categorie “eetstoornissen op latere leeftijd” vallen.
Onderzoekers en behandelaars zijn het er nog niet helemaal over eens waar de grens gelegd moet worden om te kunnen spreken van een ‘langdurige’ eetstoornis. In de literatuur zien we dat de grens soms op zeven jaar gelegd wordt en soms op tien jaar. Paul Robinson verzamelde verschillende onderzoeken naar herstelpercentages bij personen met eetstoornissen. Hij vond dat hoe langer men een eetstoornis heeft, hoe kleiner de kans wordt om te herstellen. Vanaf een ziekteduur van zeven jaar en langer merkte hij een opmerkelijke daling in de kansen om nog te kunnen herstellen. Daarbij viel ook op dat de meeste personen met een langdurige eetstoornis in het specifieke onderzoek van Robinson in Londen aan anorexia nervosa leden.

Dat wil echter niet zeggen er geen mensen met boulimia nervosa, eetbuistoornis of andere eetstoornissen zijn die ook langdurig kunnen lijden! Uit onderzoek van Cynthia Bulik in Amerika blijkt bijvoorbeeld dat de grootste groep mensen met een eetstoornis op latere leeftijd juist aan eetbuistoornissen of andere minder zichtbare eetstoornissen lijdt.  Verder kunnen we veronderstellen dat de groep die langer dan zeven jaar aan een eetstoornis lijdt te kampen heeft met een hardnekkige vorm van eetstoornissen, waar behandelaars momenteel nog geen antwoord op hebben gevonden. We zien immers ook in het onderzoek dat we voor het boek van Karolien gedaan hebben, dat mensen al meerdere opnames of behandelingen achter de rug hebben, die niet tot het gewenste resultaat van herstel hebben geleid. Daarnaast zijn er ook heel wat mensen met een eetstoornis op latere leeftijd die onder de radar blijven, waardoor geen hulp ingeschakeld wordt en de weg naar herstel afgesloten blijft. Wanneer ze toch hulp inschakelen is het mogelijk dat een hulpverlener de klachten niet interpreteert als signalen van een eetstoornis, juist omdat eetstoornissen gemiddeld gesproken op jongere leeftijd ontstaan. Door het denken in stereotypes kunnen we met andere woorden belangrijke informatie over het hoofd zien.

Uit Europees onderzoek weten we overigensdat een grote groep mensen nooit (of veel te laat) professionele hulp inschakelt. Preti en collega's (2009) vonden dat slechts 35% van de personen met anorexia nervosa, 48% van de personen met boulimia nervosa en 30% van de personen met eetbuistoornis en andere soorten eetstoornissen hulp zocht. Dat betekent dus dat er heel veel mensen met een eetstoornis rondlopen die daar nooit hulp voor zoeken…

 
Als we kijken naar mensen die op latere leeftijd aan een eetstoornis lijden, dan zien we dat sommige mensen al van in de puberteit problemen ervaren die tot in de volwassenheid aanhouden. Een andere groep maakt op latere leeftijd een herval door, nadat ze een vorige eetstoornisperiode in de puberteit doormaakten. En een laatste subgroep ontwikkelt pas op latere leeftijd een eetstoornis. Verschillende oorzaken kunnen de eetstoornis op latere leeftijd uitlokken. Wij psychologen noemen dat ook wel eens “life events”, belangrijke levensgebeurtenissen die alles in het leven op zijn kop kunnen zetten, zoals bijvoorbeeld: ontrouw van de partner, scheiding, ziekte, het ondergaan van operaties (vb. ten gevolge van kanker), verlies van een job of partner, pensionering, veranderingen in de rol als ouder bij het opgroeien van kinderen naar volwassenen enz. Wie op latere leeftijd een echtscheiding doormaakt kan bijvoorbeeld ook de druk voelen van ‘terug op de markt’ te zijn. Dat betekent dat men er op zijn best uit moet zien om een nieuwe partner te vinden.

 
Naast psychologische factoren, biologische aanleg en life events speelt ook onze culturele context een rol in het voeden van een soort aanhoudende ‘honger naar meer’... We zijn niet meer tevreden met wat we hebben, maar:
O we willen steeds jonger zijn,
O properdere huizen hebben,
O sneller zijn,
O en liefst ook nog gratis,
O en als het kan willen we de laatste nieuwe koffiemachine met bijbehorende knappe kerel hebben,…
O Wil je succes hebben dan mag je vooral geen rimpels hebben en
O dan moet je er slank uit zien, met slankie op je brood... 

Bedrijven en dure reclamecampagnes spelen daar natuurlijk heel handig op in en laten ons geloven dat we iets tekort hebben, waardoor we op zoek moeten om dat tekort op te vullen, door iets aan te kopen of iets aan onszelf te veranderen. Deze omstandigheden kunnen mensen aanzetten tot het nemen van extreme maatregelen (zoals vb. een extreem dieet), waardoor een eetstoornis bij mensen die er gevoelig voor zijn kan worden uitgelokt.


Eigenlijk moeten we toegeven dat er nog maar weinig onderzoek is gedaan naar eetstoornissen op latere leeftijd. We moeten ons beroepen op buitenlandse studies, vooral uit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk en dat vergelijken met de verhalen van de mensen die meewerkten aan ons eigen onderzoek voor het boek. Daaruit blijkt dat mensen die op latere leeftijd aan een eetstoornis leiden op het eerste gezicht maar weinig verschillen van hun jongere leeftijdsgenoten. Maar hoewel heel wat aspecten gelijkaardig zijn, blijken er toch ook wel een aantal verschillen.

Volwassenen ondervinden bv. veel meer lichamelijke problemen. Gewoon al doordat hun lichaam ouder is zijn ze kwetsbaarder voor fysieke problemen, zoals osteoporose en een lagere weerstand tegen infecties. Hoe langer de eetstoornis aanhoudt, hoe ernstiger de impact op het lichaam. Een eetstoornis is immers een ware uitputtingsslag.

Bij volwassenen kunnen de problemen nog eens extra bemoeilijkt worden door drugs- of alcoholmisbruik (middelen waar jongeren veel moeilijker toegang toe hebben). Naast de eetstoornis ervaren heel wat mensen klachten die ook passen bij een andere psychiatrische stoornis. De meest voorkomende zijn stemmingsstoornissen (depressie) en angststoornissen. Suïcide en lichamelijke complicaties zijn frequente doodsoorzaken bij eetstoornissen, waardoor bv. bij anorexia nervosa 1/10 personen vroegtijdig overlijdt aan de gevolgen van de eetstoornis. Daarmee is een eetstoornis de psychiatrische stoornis die het vaakst tot de dood leidt.
Naast de fysieke en psychologische gevolgen die anders kunnen zijn bij volwassenen zien we ook een aantal verschillen op sociaal gebied die samenhangen met de leeftijd. Het is begrijpelijk dat er in deze leeftijdsfase andere mensen betrokken zijn en beïnvloed worden door de gevolgen van een eetstoornis, zoals partners, kinderen, collega’s en volwassen vrienden. Voor kinderen kan het erg moeilijk zijn te ervaren dat hun ouder psychisch ziek is en eventueel opgenomen moet worden. Zij kunnen zich grote zorgen maken of de ouder het zal overleven en daardoor zelf in hun ontwikkeling vastlopen. Ouders van volwassen kinderen kunnen op een punt komen waarop ze moeten beslissen of ze een procedure tot gedwongen opname inzetten, omdat ze aanvoelen dat hun kind niet meer in staat is om zelf te kiezen voor herstel. Dit soort situaties kan tot grote spanningen en breuken leiden in gezinnen en vriendenkring. 


 
Een ander verschil zien we in de toegang die mensen hebben tot schadelijke compensatiemiddelen, zoals laxeermiddelen, diuretica, maar ook medicatie en drugs die misbruikt kunnen worden om te vermageren. Waar jongeren nog afhankelijk zijn van de toestemming of financiële middelen van hun ouders zijn volwassenen veel onafhankelijker. Ze hebben meer privacy en tijd voor zichzelf, ze hebben een eigen budget en een internetverbinding om online laxeermiddelen of andere schadelijke middelen aan te kopen, ze hebben een eigen auto om naar de winkel te rijden en bv. in de auto eetbuien te houden zodat niemand opmerkt dat er voedsel verdwenen is uit de kast. De omgeving van volwassenen met een eetstoornis krijgt dus in feite veel minder signalen die kunnen wijzen op een eetstoornis. Daarnaast wordt gedrag bij volwassenen vaak niet gekaderd binnen een eetstoornisproblematiek, juist omdat de signalen bij volwassenen op zoveel manieren te interpreteren vallen. Wanneer een jongere bv. naar de apotheker gaat om laxeermiddelen aan te kopen is dat veel duidelijker te interpreteren dan wanneer een volwassene dat doet.

 
Een aantal thema’s waar mensen op latere leeftijd mee geconfronteerd worden, hebben te maken met de combinatie van een eetstoornis met het leven op volwassen leeftijd.

Een belangrijke vraag bij langdurige eetstoornissen is hoe je kunt omgaan met het dilemma tussen enerzijds accepteren dat je al lange tijd een eetstoornis hebt en anderzijds het werken aan herstel. In gesprekken met personen met een langdurige eetstoornis komt dit dilemma vaak ter sprake. Het is moeilijk om beperkingen te accepteren, als je wil werken aan een leven waarin de eetstoornis volledig uitgebannen is. En toch is accepteren een belangrijke voorwaarde voor herstel. Het geeft je meer ademruimte om op zoek te gaan naar jezelf.

Tenslotte zijn er ook andere mensen betrokken in het verhaal. Waar kinderen en jong-volwassenen vooral steunen op hun ouders en leeftijdsgenoten, zijn volwassenen met een eetstoornis omringd door zoveel anderen. Een van de thema’s waar zij regelmatig mee worstelen is hoe je met anderen kan spreken over de problemen die je ervaart en of het wel zo wenselijk is om open te zijn over je problemen. Je kan je voorstellen dat de angst bijvoorbeeld heel groot is om ontslagen te worden, als de collega’s en werkgever te weten komen dat je met ernstige psychische problemen te kampen hebt. Voor veel mensen is de werkcontext een van de laatste domeinen waar men nog in kan uitblinken. Mensen met een eetstoornis willen doorgaans helemaal niet stoppen met werken, omdat het voor hen ook een manier is om motivatie te vinden om aan die eetstoornis te werken. Zolang zij kunnen werken, leveren zij een zinvolle bijdrage aan de maatschappij en dat willen ze in stand houden.

Wanneer je als volwassene geconfronteerd wordt met een eetstoornissen brengt dit met andere woorden heel wat vragen met zich mee over de zin van het leven, over de invulling van het leven, over wat je belangrijk vindt in het leven en of het wel mogelijk is om die belangrijke waarden te realiseren als er een eetstoornis in de weg staat. Een eetstoornis gaat dan helemaal niet meer over gewichten of uiterlijke schijn, maar wel over hoe je zinvol kan leven met een eetstoornis, of zonder eetstoornis…


En zo komen we tot de kernboodschap die ik zelf nog wil meegeven aan alle mensen die al lange tijd in de ban zijn van een eetstoornis. Verlies nooit de hoop op beterschap. Accepteer dat je bent wie je bent, en ga op zoek naar de dromen die je nog koestert. Zet je masker af en neem de mensen in vertrouwen die er toe doen. Want herstellen van een eetstoornis is mogelijk. Ook op latere leeftijd!

donderdag 13 maart 2014

Oxytocine als middel in de strijd tegen eetstoornissen?

Vandaag lezen we op Deredactie een bericht waarin gesuggereerd wordt dat het zogenaamde 'liefdeshormoon' oxytocine zou kunnen helpen voor mensen met anorexia nervosa.
Dit hormoon wordt zo genoemd omdat het vrijkomt wanneer moeders de borst geven aan hun kind, of wanneer mensen vrijen. Het zorgt er o.a. voor dat we tot elkaar aangetrokken worden.

Maar vooraleer het echt medicinaal toegepast kan worden zullen we nog een heel lange weg moeten afleggen. Een wondermiddel is het met andere woorden voorlopig nog lang niet. Jammer hieraan is ook dat de complexiteit van eetstoornissen door dit soort berichten uit het oog verloren wordt. Misschien is er in de toekomst een subgroep van personen met anorexia nervosa geholpen met een medicinale toepassing van dit hormoon, maar voor andere personen zijn andere behandelingen nodig. We juichen in ieder geval wel toe dat er onderzoek blijft gedaan worden naar nieuwe vormen van behandeling, want dat is broodnodig!


Hieronder het bericht op de website van Deredactie.be:
(http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/wetenschap/140313_anorexia)
do 13/03/2014 - 11:14 Ludwig De WolfUit onderzoek in Groot-Brittannië en Zuid-Korea blijkt dat de toediening van het liefdeshormoon oxytocine aan patiënten met anorexia nervosa positieve effecten heeft op het zelf- en ziektebeeld van die patiënten. De Britse organisatie Beat, die zich inzet voor de strijd tegen eetstoornissen, tempert het enthousiasme. "Er is nog een lange weg te gaan om het als geneesmiddel te gebruiken", klinkt het op BBC.
Het onderzoek naar het gebruik van oxytocine als behandeling tegen anorexia nervosa staat nog in zijn kinderschoenen. De eerste resultaten van een onderzoek in Groot-Brittannië en Zuid-Korea zijn veelbelovend. Mensen die het hormoon krijgen toegediend, zijn minder gefixeerd op hun lichaam.
Anorexia nervosa is een eetstoornis waarbij iemand een vervormd beeld van het eigen lichaam heeft. Patiënten hebben hebben het idee te dik te zijn en ze houden zich dwangmatig bezig met hun gewicht en voedingspatroon.
Oxytocine is bekend als het zwangerschapshormoon, dat een grote rol speelt in de bevalling en het op gang brengen van borstvoeding. Het hormoon wordt ook vrijgemaakt bij positief contact tussen mensen bij aankijken, aanraken, knuffelen en vrijen.
Er zijn al verschillende onderzoeken naar het medicinaal gebruik van oxytocine. Het hormoon zou ook kunnen helpen bij een reeks psychiatrische aandoeningen. Er is al aangetoond dat het helpt om de angststoornissen van mensen met autisme terug te dringen.

zaterdag 15 februari 2014

Vanaf wanneer krijg je de stempel anorexia nervosa?

Eerst even iets rechtzetten: als je spreekt over een “stempel” dan betekent dat dat je iemand stigmatiseert. Wij zijn daar vanzelfsprekend radicaal tegen. Voor ons als zelfhulpgroep is het niet belangrijk of iemand een diagnose heeft of niet. Als iemand zelf ernstige problemen ervaart die lijken op een eetstoornis en als iemand daar hulp bij nodig heeft, dan zullen we hem/haar verder helpen. Op die manier kunnen we ook mensen bereiken voordat de ziekte al heel ernstig geworden is (en dus voordat iemand aan alle criteria voldoet).


 
Mensen kunnen dus wel een diagnose krijgen. Dat is iets anders dan een “stempel”. Een diagnose is de objectieve beschrijving van wat er met je aan de hand is. Zoals de dokter je ook een diagnose geeft van een griep of een kankergezwel.

De diagnosen voor psychiatrische stoornissen worden internationaal geregeld door de APA (American Psychiatric Association). Zij brengen een boek (DSM: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) uit waarin de meeste psychiatrische stoornissen worden omschreven en waarin de objectieve parameters in opgesomd staan waar iemand aan moet voldoen voordat de diagnose gesteld kan worden. In mei 2013 kwam een nieuwe versie uit, de DSM-V (vijfde versie), die voorlopig nog enkel in het Engels te verkrijgen is. Op de Nederlandstalige vertaling is het nog even wachten.
In de vorige versie DSM-IV-TR waren dit de criteria voor anorexia nervosa (code 307.1) waaraan iemand moest voldoen:

1.    Weigering om het lichaamsgewicht op een voor de leeftijd en lengte normaal niveau of daarboven te houden (bijvoorbeeld een gewicht van 85% van het normale niveau of het uitblijven van gewichtstoename waardoor het gewicht 85% van het normale niveau is).

2.    Intense angst voor gewichtstoename of dik worden, zelfs bij ondergewicht.

3.    Een stoornis in de wijze waarop het lichaam of het gewicht wordt ervaren, overdreven waarde hechten aan het lichaamsgewicht of de lichaamsvorm bij het vormen van een zelfbeeld of ontkenning van de ernst van het te lage lichaamsgewicht.

4.    Amenorroe bij vruchtbare vrouwen, in dit geval het uitblijven van minimaal drie opeenvolgende menstruele cycli. (De diagnose amenorroe kan ook worden gesteld als de ongesteldheid alleen optreedt na hormoonbehandeling.)

 

Er worden twee types onderscheiden:

1. Beperkende type

De mensen met dit type vallen voornamelijk af door diëten te volgen, te vasten en/of door overmatige lichaamsbeweging. Ze zijn in principe niet geregeld bezig met eetbuien of laxeren (zelfopgewekt braken, misbruik van laxeermiddelen, plaspillen of klysma's).

2. Purgerend type

De mensen met dit type hebben episodes van eetbuien en proberen te voorkomen dat het voedsel wordt opgenomen door zelfopgewekt braken en/of purgeermiddelen of klysma's. Het gedrag komt overeen met het gedrag van mensen die lijden aan boulima nervosa.


Een ander systeem dat door artsen wereldwijd gebruikt wordt is de ICD-10: de International Classification of Diseases.
De tiende editie van de International Classification of Diseases (ICD-10) is de internationale standaard voor het classificeren van ziekten, gebreken en andere gezondheidsproblemen, ontwikkeld door de World Health Organization. Hoofdstuk V van de ICD-10 bevat een classificatie van meer dan 300 psychische stoornissen en gedragsstoornissen. Het is bedoeld voor de algemene klinische praktijk, het onderwijs en de hulpverlening. Hierin staan ook fysieke aandoeningen zoals huidkanker, schimmels aan tenen, diabetes enz. vermeld. Het is met andere woorden zowel bedoeld voor het classificeren van fysieke als voor psychische problemen.


F 50.0: A disorder characterized by deliberate weight loss, induced and sustained by the patient. It occurs most commonly in adolescent girls and young women, but adolescent boys and young men may also be affected, as may children approaching puberty and older women up to the menopause. The disorder is associated with a specific psychopathology whereby a dread of fatness and flabbiness of body contour persists as an intrusive overvalued idea, and the patients impose a low weight threshold on themselves. There is usually undernutrition of varying severity with secondary endocrine and metabolic changes and disturbances of bodily function. The symptoms include restricted dietary choice, excessive exercise, induced vomiting and purgation, and use of appetite suppressants and diuretics.


Diagnostic Guidelines

For a definite diagnosis, all the following are required:

Body weight is maintained at least 15% below that expected (either lost or never achieved), or Quetelet’s body-mass index is 17.5 or less. Prepubertal patients may show failure to make the expected weight gain during the period of growth.

The weight loss is self-induced by avoidance of “fattening foods” and one or more of the following: self-induced vomiting; self-induced purging; excessive exercise; use of appetite suppressants and/or diuretics.

There is body-image distortion in the form of a specific psychopathology whereby a dread of fatness persists as an intrusive, overvalued idea and the patient imposes a low weight threshold on himself or herself.

A widespread endocrine disorder involving the hypothalamic-pituitary-gonadal axis is manifest in women as amenorrhoea and in men as a loss of sexual interest and potency. (An apparent exception is the persistence of vaginal bleeds in anorexic women who are receiving replacement hormonal therapy, most commonly taken as a contraceptive pill.) There may also be elevated levels of growth hormone, raised levels of cortisol, changes in the peripheral metabolism of the thyroid hormone, and abnormalities of insulin secretion.

If onset is prepubertal, the sequence of pubertal events is delayed or even arrested (growth ceases; in girls the breasts do not develop and there is a primary amenorrhoea; in boys the genitals remain juvenile). With recovery, puberty is often completed normally, but the menarche is late.

Differential Diagnosis

There may be associated depressive or obsessional symptoms, as well as features of a personality disorder, which may make differentiation difficult and/or require the use of more than one diagnostic code. Somatic causes of weight loss in young patients that must be distinguished include chronic debilitating diseases, brain tumors, and intestinal disorders such as Crohn’s disease or a malabsorption syndrome.

 

zondag 8 september 2013

Geen adolescent (meer) en toch een eetstoornis...

Hoewel onderzoek ons aantoont dat de meeste personen met een eetstoornis hun problemen ontwikkelen in de adolescentie en jong-volwassenheid, zien we de laatste tien jaren een toename in het aantal jonge kinderen met een eetstoornis maar ook bij volwassenen zien we een toename. Anorexia nervosa ontwikkelt zich gemiddeld gesproken voor het eerst tussen 16 en 19 jaar, voor boulimia nervosa ligt de leeftijd iets hoger, nl. tussen 19 en 24 jaar. Vermoedelijk ontwikkelt ook de eetbuistoornis (binge eating disorder) zich eerder in de jong-volwassenheid dan in de adolescentie, maar meer onderzoek is nog nodig om dit met grotere zekerheid te kunnen stellen.

Wist je trouwens dat de man-vrouw-verdeling bij binge eating disorder wellicht eerder 60% vrouwen en 40% mannen is? Hiermee is dit de eetstoornis die het meest evenwichtig verdeeld is onder de geslachten, aangezien anorexia en boulimia nervosa toch vaker bij vrouwen voorkomen (90% vrouwen, 10% mannen).
 
Globaal genomen zijn onderzoekers het erover eens dat het aantal personen met eetstoornissen de laatste decennia stijgt. Toch kunnen we ook vermoeden dat een aantal mensen die 10 of 20 jaar geen hulp zouden gezocht hebben nu wel hun zoektocht naar ondersteuning aanvatten. Uit een Europees onderzoek van 2009 (Preti en collega's) weten we dat slechts een minderheid professionele hulp zoekt, wat heel jammer is omdat er goede behandelingen bestaan die mensen kunnen ondersteunen tijdens hun herstelproces. Preti en collega's (2009) vonden dat slechts 35% van de personen met anorexia nervosa, 48% van de personen met boulimia nervosa en 30% van de personen met binge eating en andere soorten eetstoornissen hulp zochten.

Karolien Selhorst wil als vrijwilligster bij AN-BN voor mensen die op latere leeftijd een eetstoornis kregen, of die al lange tijd een eetstoornis hebben een aanbod bieden. Via haar weblog "Leven met een eetstoornis" kan je heel wat zinvolle tips terugvinden, gebaseerd op talloze verhalen en bijdragen van personen die inderdaad al lange tijd een eetstoornis hebben. Zij voelen aan dat er nood is aan initiatieven die zich specifiek richten op hun doelgroep. Het doet ons deugd om te zien hoe zij allen hun ervaringen willen inzetten om er anderen mee vooruit te helpen.

Heb jij tips of ervaringen die je wil delen? Reageer dan op de berichten op bovenstaande weblog, of neem contact op met Karolien via haar contactgegevens.   

zondag 3 maart 2013

Ngram: evolutie van eetstoornissen in literatuur

Ngram viewer van Google is een interessante tool die ons in staat stelt om in miljoenen boeken te grasduinen naar tendenzen, vb. in woordgebruik. Hoe de Ngram viewer werkt, kan je hier bekijken in deze TED-Talk (met Nederlandstalige ondertiteling).


We hebben de oefening eens gedaan met woorden "eating disorder", "anorexia" en "bulimia".
De toepassing bestaat voorlopig nog niet voor het Nederlands, dus we hebben ons gefocust op het Engels.

Hier zie je het resultaat:

Erg interessant is de knik in 1980 voor bulimia en binge eating. In dit jaar kwam de DSM-III uit, waar boulimie voor de eerste keer als een aparte categorie van eetstoornissen werd opgenomen.

Ter info: bulimia is het Engelse woord, terwijl we in het Nederlands eerder gebruik maken van boulimia. Wil je nog meer weten over de geschiedenis van de diagnose "boulimia nervosa", lees dan zeker het volgende artikel van Robert Palmer "Bulimia nervosa: 25 years on"

En voor het verschil tussen anorexia en anorexia nervosa of boulimia en boulimia nervosa verwijzen we ook graag naar dit eerder bericht.

Nog een interessante: eetstoornissen bij mannen (eating disorders in males)


Of nog: preventie bij eetstoornissen (preventing eating disorders)

vrijdag 1 maart 2013

Aantal mensen met een eetstoornis

Bij AN-BN registreren wij niets over de "soort eetstoornis" die mensen hebben, omdat er veel mensen zijn die nog geen diagnose hebben gekregen. We ontmoeten immers veel mensen die voor het eerst in hun leven praten over hun problemen met eten, gewicht, zelfwaardering enz. Daarnaast is het voor ons niet zo interessant is om te weten welke soort eetstoornis mensen nu precies hebben. Het kan best zijn dat mensen niet aan de DSM-criteria van een eetstoornis voldoen, maar toch heel erg in de knoop zitten. Ook zij zijn heel erg welkom.
 
Wat we wel registreren is het aantal mensen dat informatie of hulp zoekt, volgens een bepaalde categorie waar ze toe behoren. In 2012 ontvingen we in het Inloophuis 364 bezoekers tijdens een 60-tal activiteiten (ter vergelijking: in 2011 ontvingen we 323 bezoekers).
 
 
Met de Inloopmobiel Eetstoornissen bereikten we in 2012 maar liefst 1779 bezoekers (in 2011: 1535). Hier bereiken we ook veel mensen die nog geen of weinig kennis hebben over eetstoornissen, waardoor we hen kunnen informeren over de problematiek (hoe herkennen, hoe reageren, waar hulp zoeken,...).
 
 
Verder komen we ook op scholen, op beurzen (vb. KVLV-programmabeurs, waar zeker 6000 vrouwen gepasseerd zijn, of op de risicobeurs in Hasselt), op congressen (vb. Vlaamse Academie Eetstoornissen, of GGZ congres), of op aanvraag (vb. BAANChloë, Similes, JAC,...).
 


 
 

 
In Nederland hebben ze wel wat onderzoek gedaan waardoor ze kunnen schatten hoeveel mensen er zijn met eetstoornissen: http://www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/ziekten-en-aandoeningen/psychische-stoornissen/eetstoornissen/omvang/.
Uit een Europese studie zou wel blijken dat het aantal eetstoornissen in België hoger ligt dan in Nederland (Preti et al., 2007): zie ook hier voor een eerder bericht op deze infoblog.
 
In de Centra Geestelijke Gezondheidszorg werden in 2011 officieel slechts 308/24056 mensen behandeld voor een eetstoornis. Veel mensen met een eetstoornis zoeken nooit professionele hulp: bij anorexia 35%, bij boulimia 48% en bij andere eetstoornissen 30% (cijfers Preti et al., 2007).
Mensen met eetstoornissen komen natuurlijk niet allemaal in een CGG terecht, maar vb. ook bij zelfstandige psychologen, huisartsen en soms ook in opnames. Daarnaast kan het ook zijn dat zij officieel een andere diagnose krijgen en dat de eetstoornis maar een klein stuk is van een bredere problematiek (vb. stoornis in impulsbeheersing, borderline, depressie, PTSS,...).
Er is trouwens een verschil tussen boulimia (het ervaren van ongecontroleerde eetbuien) en tussen boulimia nervosa (ongecontroleerde eetbuien, vanuit een psychiatrische stoornis). Het is immers mogelijk dat mensen boulimia hebben, zonder aan boulimia nervosa te lijden. Zo bestaat er het Prader-Willi syndroom, waar één van de kenmerken ook een onbeheersbare eetlust is (maar zonder psychische oorzaken).
Dit geldt ook voor anorexia (gebrek aan eetlust) en anorexia nervosa (gebrek aan eetlust, vanuit een psychiatrische stoornis). Zo kunnen ouderen ook anorexia hebben, vb. doordat hun partner overleden is, doordat ze zich depressief voelen, enz., maar zonder dat er sprake is van de psychische stoornis "anorexia nervosa".

zondag 27 januari 2013

Medicatie bij eetstoornissen?

Regelmatig stellen mensen ons de vraag of er medicatie is die werkt tegen eetstoornissen. Soms gaat het om mensen die al heel wat hebben uitgeprobeerd en die de moed beginnen te verliezen. Ondanks hun voorkeur om de problemen zelf aan te pakken en soms zelfs hun weerstand tegen medicatie zijn ze op zoek naar alternatieve manieren om vooruitgang te kunnen ervaren. Daarnaast zien we mensen die hopen op een snelle oplossing. Vaak gaat het om mensen die nog niet lang een eetstoornis hebben, of mensen uit de omgeving die alle opties willen verkennen. Nog andere mensen hebben gehoord dat anorexia een hersenziekte is en veronderstellen dat er daarvoor dan wel medicatie zal bestaan (zoals dat bij ADHD of depressie duidelijker het geval is).
 
De vraag of er werkzame medicatie is in de behandeling van eetstoornissen heeft echter een kort en een lang antwoord. Het korte antwoord is dat er tot op de dag van vandaag geen enkel medicijn uitgevonden is dat de oorzaken van eetstoornissen kan wegnemen, of dat een eetstoornis kan genezen.
Het lange antwoord is genuanceerder. Zo weten we uit diverse metastudies en ervaringen van hulpverleners dat medicatie wel een ondersteuning kan bieden in het herstelproces. Deze medicatie werkt echter niet in op de eetstoornis zelf, maar wel op een aantal symptomen. Van heel wat medicatie weten we vandaag nog steeds niet goed hoe de werking in elkaar zit. Het enige dat we weten is dat er voor een groep mensen verbetering kan optreden op het gebied van specifieke symptomen.
 
Van welke medicatie weten we uit onderzoek dat ze een bijdrage kunnen leveren in het herstelproces?
Om op deze vraag te antwoorden raadplegen we diverse internationale richtlijnen. Zo bracht het Trimbosinstituut in 2006 in Nederland de “Multidisciplinaire richtlijn eetstoornissen” uit. Hierin wordt o.a. ook verwezen naar andere richtlijnen, zoals de Engelse NICE-richtlijn (2004), de Amerikaanse APA-richtlijn (2000) en de Australische richtlijn van de RANZCP (2003).
Onthouden we hierbij wel dat de resultaten van medicatie-onderzoek spreken over gemiddelden. Dit wil zeggen dat een groep die een bepaald soort medicijn neemt het gemiddeld gesproken beter doet dan een groep die deze medicatie niet neemt. Hiermee kunnen we echter geen uitspraken doen over individuele situaties. Met andere woorden: we weten uit dit soort onderzoeken dat sommige medicatie gemiddeld gesproken beter werkt dan “niets”, maar we kunnen niet voor jou persoonlijk zeggen wat het resultaat zal zijn.
 
Uit de richtlijnen en diverse onderzoeken kunnen we enkele algemene uitspraken afleiden:
  1. Bij anorexia nervosa werd geringe evidentie gevonden voor de werkzaamheid van atypische antipsychotica. Dit is dus medicatie die oorspronkelijk ontwikkeld werd voor mensen die lijden aan psychosen. Vaak zien we dat medicatie die oorspronkelijk voor één bepaalde aandoening ontwikkeld werd ook positieve effecten heeft op andere aandoeningen. Onderzoekers vermoeden nu dat zoiets het geval is bij deze atypische antipsychotica. Ze blokkeren de dopamine type 2 recepteren (5- HT2A). Hierdoor vermindert de hyperactiviteit van het serotonerg systeem (dit wil zeggen dat er een invloed is op de overdracht van serotonine in de hersenen). Concreet leidt deze medicatie tot gewichtstoename en tot veranderingen in cognities en angstgevoelens. Patiënten geven aan dat ze meer ruimte in hun hoofd krijgen om te denken, dat het zwart-wit-denken meer grijs toelaat. Het gebruik van lythium (medicatie die o.a. wordt voorgeschreven aan mensen met een bipolaire stoornis) wordt bij anorexia nervosa afgeraden, aangezien het bij deze doelgroep tot toxiciteit (vergiftiging) kan leiden.
    Indien men na gewichtsherstel vermoedt dat de kans op terugval aanzienlijk is, raadt de Multidisciplinaire Richtlijn aan ter preventie een selectieve serotonineheropnameremmer  voor te schrijven (vb. fluoxetine). De werkgroep is van mening dat bij braken een zuurremmer kan worden overwogen. Metoclopramide of cisapride worden echter afgeraden vanwege het risico op hartritmestoornissen.
  2. Mensen met anorexia nervosa en daarnaast obsessief-compulsieve stoornis blijken gemiddeld gesproken baat te hebben bij medicatie zoals Seroxat of Cipramil.
  3. Voor mensen met eetbuien (BN en BED) kunnen bepaalde antidepressiva, nl. de selectieve serotonineheropnameremmers (vb. Fluoxetine, werkzame dosis 60 mg), leiden tot een afname van het aantal eetbuien. Een specifiek middel tegen epilepsie, nl. topiramaat, blijkt onverwachts ook voor de eetstoornis-doelgroep positieve resultaten op te leveren. Verder onderzoek blijft wel nodig. De Multidisciplinaire Richtlijn geeft duidelijk aan dat een combinatie van cognitieve gedragstherapie en antidepressiva betere resultaten oplevert dan wanneer men enkel medicatie gebruikt. De resultaten zijn het beste voor de afname in het aantal eetbuien en minder duidelijk voor purgeergedrag (braken en laxeren). Er werden nog geen aanwijzingen in onderzoek gevonden dat medicatie ook op langere termijn een meerwaarde zou hebben voor het herstel. Voor het gebruik van eetlustremmers of anti-braakmiddelen werd onvoldoende bewijs gevonden om te stellen dat er een invloed kan zijn op het aantal eetbuien of op het purgeergedrag.
Bij alle resultaten moeten we de bedenking maken of ze wel veralgemeend kunnen worden naar kinderen en jongeren. De onderzoeken die opgenomen werden in de Multidisciplinaire Richtlijn handelen immers voornamelijk over onderzoek bij volwassen patiënten.
 
Andere medische ingrepen
 
Diepe hersenstimulatie bij anorexia nervosa is een techniek die momenteel nog in de experimentele fase zit. Bij deze ingreep worden elektroden (hoog technologische draadjes) in een welbepaalde kern in de hersenen ingeplant en wordt een kleine elektrische stroom vanuit een soort pacemaker (de neurostimulator) via die elektroden in het hersenweefsel gestuurd.
De eerste resultaten zijn veelbelovend, hoewel het hier gaat om een erg beperkte groep proefpersonen (Sun: 20 patiënten). De kleine aantallen mensen met anorexia nervosa die aan dit soort onderzoek deelnemen hebben een eetstoornis die op geen enkele andere therapie of medicamenteuze behandeling positief reageerde. Na deze ingreep steeg het gewicht beduidend en mensen ervaarden een significante verbetering in obsessief-compulsieve en in angstsymptomen. In het onderzoek van dr. Bomin Sun van het Shanghai Jiao Tong universiteitsziekenhuis kregen 15 patiënten twee kleine elektrodes ingeplant die de nucleus accumbens stimuleerden. Deze elektrodes kunnen aan- en uitgeschakeld worden. De ingreep brengt geen schade toe aan het hersenweefsel, in tegenstelling tot een operatie waarbij hersengebieden doorgesneden worden (vb. de capsulotomie, zie verder). De nucleus accumbens zijn kleine gebiedjes in het voorste deel van de hersenen, die verantwoordelijk geacht worden voor ons “beloningssysteem”. Ze zorgen er dus voor dat we genot of plezier of beloning ervaren na het stellen van een specifiek gedrag.
 Twaalf van deze patiënten kregen ook een capsulotomie met behulp van bestraling. Dit is een operatieve ingreep (die dus niet ongedaan gemaakt kan worden) waarbij het voorste deel van de hersenen gescheiden wordt van de onderliggende gebieden. Deze ingreep is vooral bekend bij mensen met ernstige dwangmatige klachten. Nadien ervaart meer dan de helft van mensen met OCD (obsessive-compulsive disorder) enige vermindering van de dwangklachten, maar er treden ook bij 30 à 40% van de patiënten bijwerkingen op zoals vervlakking van emoties.
De drie patiënten uit het onderzoek van dr. Sun die enkel diepe hersenstimulatie ondergingen maakten wel vooruitgang op het gebied van obsessief-compulsieve en angstsymptomen, maar niet wat betreft eetgedrag. Bijwerkingen zoals incontinentie, geheugenverlies en verwarring werden opgemerkt bij enkele patiënten die de capsulotomie ondergingen, maar niet bij de patiënten die diepe hersenstimulatie kregen.
 
Het onderzoek naar dit soort medische ingrepen staat nog in de kinderschoenen. Talrijke ethische vragen kunnen gesteld worden over de wenselijkheid van dergelijke ingrepen. De Europese Academie die zich over de wenselijkheid buigt geeft alvast aan dat de ingrepen enkel toegepast mogen worden bij mensen die ernstig lijden en die therapieresistent beschouwd worden, of met andere woorden: zij reageren onvoldoende op medicatie of op een therapeutische behandeling die minstens een aantal maanden met volle inzet werd gevolgd. Voorlopig kunnen we wel stellen dat deze medische ingrepen niet de voorkeursbehandeling zijn bij eetstoornissen.
Bronnen
  • Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijn ontwikkeling in de GGZ. Multidisciplinaire richtlijn eetstoornissen. Diagnostiek en behandeling van eetstoornissen. Trimbos-instituut, 2006.
  • Promising Results For Treating Anorexia Nervosa With Deep Brain Stimulation, International Neuromodulation Society.Medical News Today, 2008. (www.medicalnewstoday.com)
  • 'Het is niet wat het is, het is wat je ermee doet'. Mogelijkheden en grenzen van neurowetenschappen voor het menselijke gedrag.Collationes, 41 (4), 2011, 381-393.

donderdag 3 januari 2013

Mannen met anorexia

In Frankrijk is 3/10 van de opgenomen patiënten met anorexia nervosa een jongen of man.
Een reportage over jongens met anorexia kan je bekijken via DeRedactie:
 
In Vlaanderen gaan we er nog vanuit dat 90% van de mensen met anorexia nervosa vrouwen zijn, maar aangezien de registratie van psychische problemen slecht geregeld is en aangezien veel mensen in anonimiteit leven (zonder hulp te zoeken), weten we eigenlijk niet goed hoeveel mensen er precies zijn met eetstoornissen.

woensdag 7 november 2012

Welke eetstoornissen bestaan er?

De diagnosen van eetstoornissen worden omschreven in het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, editie 4 (DSM-IV).
In mei 2013 komt van dit handboek een nieuwe versie uit (DSM-V). Hierin zal de eetbuistoornis (Binge Eating Disorder) als een aparte categorie opgenomen worden (naast anorexia nervosa, boulimia nervosa en eetstoornis niet anders omschreven).

In de DSM-IV worden drie grote categorieën van eetstoornissen beschreven:
  • anorexia nervosa
  • boulimia nervosa
  • eetstoornis niet anders omschreven (NAO).
Onder NAO verstaan we verschillende varianten van eetstoornissen zoals de eetbuistoornis (eetbuien hebben, zonder te compenseren zoals dat bij boulimia wel het geval is). Daarnaast kunnen er ook vormen van eetstoornissen in ondergedeeld worden die "subklinisch" genoemd worden. Dit wil zeggen dat niet aan alle criteria van anorexia of boulimia nervosa voldaan is, maar dat er toch sterke aanwijzingen zijn voor een eetstoornis. Bijvoorbeeld: een vrouw met anorexia nervosa bij wie de menstruatie nog geen drie opeenvolgende maanden uitgebleven is. Ook andere vormen van eetstoornissen die geen anorexia of boulimia nervosa zijn, behoren volgens de DSM-IV tot deze NAO-restgroep.


DSM-IV criteria voor:

Meer informatie over verschillende soorten en varianten van eetstoornissen:
binge eating disorder (eetbuistoornis) 
 Niet alleen zielepoten krijgen anorexia: lees hier een boeiend verhaal

Vel over probleem is een mooie documentaire die de anorexiaproblematiek goed in beeld brengt en ook toelicht dat eetstoornissen over zoveel meer gaan dan eten en gewicht alleen.



maandag 27 augustus 2012

Virtual reality



De laatste tien jaar wordt virtual reality steeds vaker ingezet in de behandeling bij verschillende soorten problemen, zoals vb. vliegangst, post-traumatische stress en ook eetstoornissen. Het is een techniek die mensen in staat stelt om zich heel realistische voorstellingen te maken van situaties. Je zou kunnen zeggen dat het een manier is om onze fantasie of ons voorstellingsvermogen in concrete beelden om te zetten.

Eén van de kenmerken van mensen met een eetstoornis is dat zij een vertekend lichaamsbeeld hebben. Ze overschatten hun werkelijke lichaamsomvang en lichaamsvormen en hebben een sterke wens om een dunner lichaam te bereiken. De opvattingen over hun lichaamswaardering kunnen bevraagd worden met de Lichaamsattitude vragenlijst (LAV). Hieruit kunnen hulpverleners afleiden of mensen te kampen hebben met een negatieve waardering van de lichaamsomvang, een gebrek aan vertrouwdheid met het eigen lichaam of een algemeen ongenoegen over het lichamelijk voorkomen.  Mensen met een eetstoornis scoren zoals te verwachten doorgaans hoog op deze vragenlijst.

De vertekeningen in de lichaamsbeleving kunnen ook worden gemeten aan de hand van confronterende opdrachten, zoals het aanduiden van de gewenste en de reële lichaamsomvang op een figuur (zie hieronder). Hieruit blijkt dat de reële lichaamsomvang systematisch overschat wordt. Met andere woorden: men duidt een dikkere figuur aan dan hoe men er in realiteit uitziet.





Nog een andere techniek om te achterhalen hoe men de eigen lichaamsomvang inschat werd gebruikt door Dewi en collega’s. Zij vroegen aan mensen om in te schatten of zij door een opening zouden 2kunnen. Hieruit bleek dat mensen met een eetstoornis beduidend vaker inschatten dat de opening te klein is, in vergelijking met mensen zonder eetstoornis.


Een andere manier om met een vertekend lichaamsbeeld aan de slag te gaan verloopt met behulp van gekleurde koorden. Mensen krijgen daarbij de opdracht om in te schatten hoe groot hun lichaamsomvang is (dus: hoe groot is de cirkel rond hun middel). Daarna moeten ze met een andere kleur touw aangeven hoe hun ideale lichaamsomvang eruit zou zien. Nog een andere kleur wordt gebruikt om aan te duiden hoe ze zichzelf in de spiegel zien. Tenslotte wordt de echte omvang gemeten met een laatste touw. Hieruit blijkt dat hoe men zichzelf inschat geen correcte weergave is van de realiteit (mensen schatten zichzelf veel dikker in dan ze in werkelijkheid zijn: 2 > 4). Tijdens deze opdracht wordt ook vaak gevonden dat men nog magerder is dan het ideaalbeeld dat men nastreeft (4 < 3). Met andere woorden: het ideaalbeeld is al lang bereikt, maar men ziet in de spiegel een enorme vertekening (4 < 1).






1.     hoe patiënt zich in de spiegel ziet = groen
2.     hoe patiënt denkt eruit te zien (inschatting realiteit) = roze
3.     hoe patiënt eruit zou willen zien (ideaal) = blauw
4.     hoe patiënt er werkelijk uitziet (realiteit) = geel


In de Renfrew Center in Florida gebruiken ze dan weer de techniek om de lichaamsomvang in te schatten via een tekening op een groot vel papier. Nadien wordt de werkelijke lichaamsomvang erbij getekend, waardoor een confrontatie optreedt tussen de werkelijke en geschatte lichaamsomvang.





Het is erg moeilijk gebleken om deze vertekeningen te behandelen met technieken die uitsluitend een beroep doen op ons logisch denkvermogen. Met andere woorden: het is erg moeilijk om mensen via een gesprek te leren dat hun beeld vertekend is en dat ze er op een andere manier over moeten leren denken. Virtual reality biedt nu de mogelijkheid om heel realistische driedimensionale beelden te maken van het lichaam. De software laat ook toe om die beelden te vervormen, om zo bijvoorbeeld aan te duiden wat het verschil is tussen hoe men zichzelf ziet in de spiegel en hoe men er werkelijk uitziet. Het is vergelijkbaar met de touwoefening, maar dan veel realistischer en in drie dimensies. Je kan deze beelden niet alleen bekijken op een computerscherm, maar dankzij een hoofdset kan je deze beelden ook zien in dezelfde ruimte als waar jij staat. Op die manier krijg je de illusie dat je naar jezelf kijkt. Deze techniek helpt om de persoonlijke ervaring van het spiegelbeeld bij te stellen naar een realistischer perspectief.

http://www.cybertherapy.info/pages/book3.htm


Uit onderzoek blijkt trouwens dat wanneer mensen met een eetstoornis in een virtuele eetzaal worden geconfronteerd met calorierijk voedsel dezelfde emotionele responsen (vb. verhoogde hartslag, meer zweetproductie) vertonen als in de realiteit. Om de mogelijkheden van virtual reality in de behandeling van eetstoornissen beter te begrijpen en te verfijnen is er nog veel meer onderzoek nodig. We kijken alvast benieuwd uit naar de evoluties op dit gebied.

Op dinsdag 9 oktober 2012 spreekt Fernando Fernandez over cognitieve remediatie via games op het tweede congres van de Vlaamse Academie Eetstoornissen.

Bronnen
The virtual reality and Ambient Intelligence Reference Site for Medicine, Psychology and Neuroscience: www.cybertherapy.info
Psychology and virtual reality: www.previsl.com
Ferrer-Garcia, M., & Gutierrez-Maldonado, J. (2012). The use of virtual reality in the study, assessment, and treatment of body image in eating disorders and nonclinical samples: a review of the literature. Body Image, 9, 1-11.
Guardia, D., Lafargue, G., Thomas, P., Dodin, V., Cottencin, O., & Luyat, M. (2010). Anticipation of body-scaled action is modified in anorexia nervosa. Neuropsychologia, 48 (13), 3961-3966.
Gorini, A., Griez, E., Petrova, A., Riva, G. (2010). Assessment of the emotional responses produced by exposure to real food, virtual food and photographs of food in patients affected by eating disorders. Annals of General Psychiatry, 9, 30.